home  |  pers  |  comité van aanbeveling  |  contact  |  zoek
egidius_logo
blog-knop

forum-knop

 

Leidse Koorboeken BLOG

 

Artistiek leider Peter de Groot werkt het hele jaar door aan de voorbereiding van het repertoire voor de cd opnamen en de concerten van de Leidse Koorboeken. Hij moet daarvoor jaarlijks uit 'het boek van dienst' de stukken selecteren, transcriberen en/of redigeren. Een tijdrovend en specialistisch werk waarvan hij in zijn blog verslag doet. In 2010-2011 staat het tweede koorboek, codex B, centraal.

Van de eerste van de vijf in het koorboek aanwezige Christe qui lux est zettingen heb ik nu een nette computerversie gemaakt. Door die transcriptie kwam ik er achter dat er in dit stuk twee ‘foute’ noten staan. Opmerkelijk dat mijnheer Saleij, toch een pietjesprecies mannetje, daar geen gewag van maakte. Hij stoorde zich zichtbaar meer aan de verkapte octaaf –en kwintparallellen, die hij, zoals gebruikelijk, met dikke strepen markeerde in zijn transcriptie. Het stuk doorspelende heb ik daar helemaal geen last van, wel van die foute noten.

Na het Versaillesbezoek heb ik een eerste poging gedaan om een voorlopige shortlist te maken. Die is nu naar Eric Jas, die er het zijne over moet zeggen. Daarna moest ik een concert doen bij en met Ton Koopman, en vervolgens wachtte mij een enorme samenstellingsklus voor een workshop met het Akademisk Kor van Kopenhagen. Maar vandaag ben ik weer terug bij de koorboeken. Ik wil graag het oordeel van Jaap van Benthem over een bijzondere, maar helaas anoniem overgeleverde compositie. In concept doet het zesstemmige stuk laat vijftiende- begin zestiende eeuws aan, maar misschien vergis ik me en is het ‘gewoon’ zestiende eeuws. Het staat echter op een bijzondere plaats in codex B. Na een motet van Clemens non papa volgen twee lege pagina’s, en dan komt er een serie drie Josquin motetten en een motet van Verdelot, vroege motetten dus. Deze reeks wordt geopend met het stuk in kwestie, de anonieme zetting van de paassequens Victimae pascali laudes. Om Van Benthem terwille te zijn ben ik vandaag begonnen met de eerste betekstingswerkzaamheden voor codex B, verreweg het leukste en interessantste werk. Waarom? Daar kom ik later nog wel op terug. In het algemeen kan ik melden dat ik er, om mij moverende redenen, een ‘sport’ van maak de tekst precies te plaatsen waar de tekst staat in de koorboeken. Dat lijkt logisch maar is het geenszins. (wordt later vervolgd). Voor nu rest mij te zeggen dat de scribent/kopiist van codex B, Anthonius de Blauwe, in het algemeen bij dit stuk een zeer heldere en duidelijk beteksting heeft aangehouden. Er is maar één gekke plek. Zo’n plek waar ik niks van De Blauwe snap. Zo heeft ie er wel meer. In een van de tenor partijen, op de plaats waar de zin luidt: Credendum est magis soli mariae veraci quam Judaeorum turbae fallaci (Men moet meer vetrouwen hebben in de waarheidsgetrouwe Maria dan in het misleidend volk van Juda) wordt die op een onlogische plaats afgebroken. Is in de rest van de partijen de mores dat na soli wordt afgebroken, met een rust bijvoorbeeld, hier wordt soli heel onverwacht bij de volgende regel getrokken. Foutje? Afgeleid? Onoplettendheid? Opzet?Voer voor contemplatie en advies.

 

 B_f_152_r_003_det

 

Deze week vroegen niet alleen de koorboeken om mijn aandacht. Het moeilijke en tijdvragende wikken en wegen welke stukken naar de eerste shortlist mogen of moeten wisselde ik af met een onderzoek naar de achtergronden van de ‘vers mesurées’, en meer speciaal naar die van het ‘ballet comique de la reyne’ uit 1581, een vijf en een half uur durend spektakel dat werd uitgevoerd tijdens één van de bruiloftsfeest avonden van Marguerite de Lorraine, de (half)zus van de Franse koningin Louise, ten tijde van de regering van haar man, de kunstminnende koning Henri III. (aan wie thans een expositie in het kasteel van Blois is gewijd, die ik aanstaande dinsdag ga bezoeken) En alsof dat nog niet genoeg is lees ik ondertussen het heerlijke, 800 pagina’s tellende derde deel van ‘Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen’ van Jan Busiman. Een ‘Fundgrube’ voor mijn inmiddels uitpuilende excellijst met data die de hele zestiende eeuw, per dag!, in kaart wil brengen. Faits divers, zeker, maar ik vind het tóch fijn om te weten dat Leiden, twee jaar voor codex B, in 1557, geteisterd werd door de pest en dat de beroemde Leidse botanicus Clusius niettemin in datzelfde jaar de kastanje als sierboom introduceerde in de lage landen. Maar vandaag niets van dat alles. Hedenmiddag staan de waterwerken in het park van het kasteel van Versailles op het programma.

Ik heb het vanavond eens even bekeken. Ácht composities uit Codex B hebben van die typische “LeidBX” (zie zondag 18 juli) passages. Daaronder zijn drie nunc dimittis zettingen (waar ik zo zwaar teleurgesteld in was, en die dan ook vrijwel allemaal ‘afgekeurd’ zijn). Verder het psalmmotet Festum nunc celebre en een A solis ortus zetting, die ook in het vijfde koorboek voorkomt, codex E, maar daarin is het stuk toegeschreven aan [Joachimus] de Monte, die we kennen uit het eerste koorboek. Precies daarom betwijfel ik of het van De Monte is, want die schrijft vaardiger en joyeuzer en, onder ons gezegd, beter. Als bij zoveel hymne zettingen heeft Anthonius de Blauwe zijn handschrift, in verband met de beteksting van de verzen eronder, behoorlijk moeten verkleinen. Het onder elkaar schrijven van die verzen levert later vast nog interessant materiaal op voor mijn betekstingsonderzoek.

 

codex_b_fol_290v_A_solis_ortus_anon_detail_klein     

 

Het stuk staat voorlopig nog op mijn longlist. Of het daar nu op blijft staan of niet, ik ga later toch die betekstingen kritisch bekijken en inventariseren. Ik ben zeer benieuwd naar de resultaten daarvan. 

Alle composities in codex B zijn doorgelezen en tegen het licht gehouden. Op mijn longlist resten toch nog 43 van de 73 stukken in het koorboek. Nu begint een vervelend werk; wat gaat door naar de eerste shortlist? En waarom? Er moeten er eerst nog zeker twintig (!) sneuvelen, vooraleer ik die shortlist voorleg aan mijn adviseurs. Ik neem me ook voor om de aanzienlijke hoeveelheid anonieme motetten in kaart te brengen die gekenmerkt worden door een opvallende vaak terugkerende “stijlfiguur’. Het is meer een ‘binnenkant paal-truc’ die met veel verve en enthousiasme wordt toegepast om kwint- en octaafparallellen te vermijden. Mijnheer Saleij zet er in transcripties grote geërgerde strepen onder om te laten zien dat het wat hem betreft niet onopgemerkt is gebleven.

 

saleij_LeidXB_vb_klein

 

Klaarblijkelijk waren de heren college zangers in de Pieterskerk niet erg recht in de contrapuntische leer. Ik heb de vermoedelijke vervaardiger van die motetjes (vrijwel allemaal hymne zettingen) de codenaam LeidBX gegeven. Zijn het wellicht motetjes die door zangmeester Jacob de Leeuw geschreven zijn? In Eric Jas’ proefschrift lees ik dat het vroegste document waarin De Leeuw in Leiden als zangmeester genoemd wordt dateert van 3 maart 1553. Op 30 oktober wordt hij ook benoemd als één van de vier stadsspeellieden. Hij overleed in augustus 1561. Bij zijn overlijden liet de man een huurschuld na van vijftien maanden. Ik zal me niet bezondigen aan speculatie, maar het is verleidelijk.


disclaimer | 2009-2010