
De oprichting van het getijdencollegeHet zingen van de getijden, was van oudsher een taak van monniken. Die waren verbonden aan een collegiale kerk: een kerk met een kloostergemeenschap. In de grote stadskerken zonder kloostergemeenschap werd het officie niet of in ieder geval niet dagelijks gezongen. Dat werd in de loop van de renaissance steeds meer als een gemis ervaren. Met name in de Noordelijke Nederlanden nam het stadsbestuur, de welgestelde burgerij of de geestelijkheid het initiatief. Zij stelden wereldlijke koorheren aan en zo ontstonden in belangrijke kerken ‘zeven-getijdencolleges’.
Een getijdencollege bestond doorgaans uit een achttal professionele, hoog gekwalificeerde zangers en vier à zes koorknapen. Zij werden betaald om op vaste uren al zingend God te eren en voor het zielenheil van de overledenen te bidden. Het oprichten van zo’n zangerscollege was ook een status- en prestigekwestie. Achtereenvolgens ontstonden er colleges in Leiden, Rotterdam, Delft, Gouda, Alkmaar, Haarlem, Amsterdam, Den Haag, Enkhuizen, Hoorn, Medemblik, Goes en Kampen.
Het college in LeidenHet College van Leiden lijkt het oudste te zijn geweest, met een eerste vermelding in 1440. Het permanente karakter van het getijdencollege in Leiden werd in 1443 gewaarborgd door een grote som geld van Boudewijn van Zwieten. De zeven getijden in de Leidse Pieterskerk waren: De Metten rond 5 uur, de Lauden rond 6 uur, de Terts rond 9 uur, de Sext rond 12 uur, de Noon rond 15 uur, de Vespers rond 17 uur en de Completen rond 20 uur. |

zangerskapel