De eerste repetitieweek zit er op. We hebben een week nodig gehad om al het repertoire dat we willen opnemen aandachtig en met zorg door te zingen. Zelfs na al het voorwerk en na alle checks kwamen we hier en daar nog vreemde dingen tegen zoals verkeerde of vreemde noten en onlogische tekstplaatsingen. Maar het was een vreugde om weer met zo’n mooie groep competente zangers aan deze heerlijke muziek te werken. Iedereen is erg gemotiveerd en blij en trots van dit project deel uit te mogen maken. Ook het zingen van de gregoriaanse hymnen was een bijzondere ervaring nu we besloten hebben de punctusnootjes uit het cantuale (zie het blog bericht van 22 december) als een relatief lange noot ten opzichte van de virga-nootjes te zingen. Matthew Vine, onze ‘vaste’ engelse gasttenor heeft goed werk geleverd bij de lectuur van dit gregoriaans en het al voor elkaar gekregen dat dit stelletje ‘ongeregeld’ (qua gregoriaans-zang) al als een heuse schola gaat klinken, licht, helder en devoot.
Bij de polyfone stukken bleken de gedoodverfde topstukken inderdaad top te zijn, maar er waren ook zeer aangename klankverrassingen zoals het anonieme ave maris stella, en het relatief onbekende Richafort motet ‘Ego sum qui sum’. Slechts één werk is niet door de ‘ballotage’ gekomen, de anonieme zetting van de hymne “Veni creator spiritus”, maar daar hebben we een prachtig zesstemmig motet van Philippe Verdelot voor in de plaats gezet: “Sancta Maria virgo virginem”. Smullen.
Ik zit gebogen over de partituren die ik van de stukken uit Codex B heb gemaakt. Naast mij ligt een bonte verzameling potloden, gum en typexx. Over twee weken beginnen de repetities. It geet oan. Ik ken de stukken door alle voorbereidingen al vrij goed maar toch, ik had het al voorspeld, veranderen ze al studerende nog telkens. Hier een essentiële ficta over het hoofd gezien, daar hoofdschuddend toch in Anthonius grillen ingegrepen, het stille, eenzame werk in een studeerkamer: keuzes maken, twijfelen, nog eens de bron controleren en beturen, tobben, wikken en wegen, maar hoe dan ook; genieten!
Wat een pracht. Wat wordt het mooi!
Je bent eigenlijk nooit klaar met een klus als deze. Het is nachtwerk geworden met dat gregoriaans. Eerst heb ik me vertrouwd moeten maken met het ietwat, althans voor mij, ongebruikelijke hoefnagelschrift. Maar met mail-hulp van de deskundige Geert Maessen ben ik toch een eind gekomen en heb alle gregoriaanse probleemplaatsen kunnen oplossen. Zelfs nu de partituren klaar liggen om gekopieerd en verzonden te worden blijf ik nog schaven. Hier toch maar een ficta, daar toch nog een laatste verbetering, en hé klopt dat wel? Even checken.
Morgen gaan de partituren naar de kopieerwinkel, na de kerst gaan ze op de post. Ik weet nu al dat voor we er half januari aan beginnen te repeteren dat ik nog weer veel zal hebben aangepast en verbeterd. Work in progress, heerlijk. Leidse Koorboeken en geen einde.
Het Cantuale iuxta usum Leidanae ecclesiae D. Petri, ut nunquam antehac typis excusum, ita variis responsoriis, antiphonis, hymnis, aliisque sacris cantionibus, quas vel chori usus vel commoditas desiderare posset, refertum, zoals de volledige titel luidt is een ware ontdekking! Niet alleen blijken nu alle hymne melodieën te kloppen, maar ook word ik geconfronteerd met een veel soberder gregoriaanse stijl dan ik aantrof in het Liber Usualis. Wellicht stond het gregoriaans in de Pieterskerk rond 1564, het jaar waarin dit boekje in Leiden gedrukt werd, veel meer onder invloed van de inzichten van het Concilie van Trente dan wij voor mogelijk hadden gehouden. Hoe dan ook; ik heb het hele boek kunnen fotograferen en vanavond ga ik er mee aan de slag.
Hier de titelpagina en de hymne Christe qui lux es.
 
Omdat we in de editie van Leidse Koorboeken 2 nogal veel hymnen voor de zogeheten kleine getijden zingen, alsmede een aantal Magnificats, is het van belang het goede, bijpassende gregoriaans te kiezen en te vinden. Bij de samenstelling van de partituren kwam ik er achter dat de in de polyfonie verstopte cantus firmus van sommige hymnen helemaal niet correspondeert met die welke nu bij die hymne in het Liber Usualis of Graduale staat. Hoe kan dat? Nog maar weer eens de doctoraal scriptie van Eric Jas er op nagelezen. Ik vind een voetnoot waar ik altijd overheen gelezen heb. Een belangrijke voetnoot, want daarin staat dat in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag een exemplaar wordt bewaard van een ‘Cantuale’ uit 1564 waarin gregoriaans staat opgetekend dat in die dagen in de Leidse Pieterskerk werd gezongen. Ik heb ogenblikkelijk een afspraak gemaakt met de afdeling bijzondere collecties, volgende week zal ik het zien. Ik mag alles fotograferen!
Gisterenavond tot diep in de nacht overleg gehad over de Leidse koorboeken en ons project met meester Paul van Nevel. Het was, zoals te verwachten, een fors gesprek. Paul had vele kritische, maar opbouwende opmerkingen. Op één punt verschilden wij volledig van mening. Hij vond dat we slechts de absolute topstukken, de geniaalste en beste stukken moesten uitvoeren en opnemen uit de koorboeken. Ik wil echter een tijdsbeeld geven, een tot klinken gebrachte documentatie van het Leidse Getijdencollege bedrijf. Daarin horen mijns inziens ook de kleinere, minder bevlogen, vaak locale of anonieme werken thuis. Later bedacht ik me dat het te vergelijken was met het museum bezoek dat ik ooit bracht aan het Kimbell Art Museum in Forth Worth (Texas, USA). De collectie van dat museum is volgens een even simpel als luxueus principe opgebouwd; het museum, gefinancierd door de Texaanse oliebaronnen, kreeg het budget en de opdracht om uit elke stijlperiode louter topstukken aan te schaffen. Het gevolg is dat je na drie à vier zalen, bij ontstentenis van relativerende ‘mindere werken’ volstrekt uitgeput bent en eigenlijk niet meer verder kan noch wil kijken. Dat effect wil ik voorkomen. In ons ‘auditieve koorboeken museum’ nemen we ook de ‘kleinmeister’ op, al was het maar om de grootsheid van de ‘echte meesters’ nog beter te kunnen laten zien cq horen.
De klus is geklaard. Alle partituren zijn af. Het is grappig om te zien hoe je na een paar motetten alweer vertrouwd bent met de particulariteiten van kopiist Anthonius de Blauwe.
Die vertrouwdheid, en herkenning van zijn ‘stijl’ maakte het beteksten een stuk gemakkelijker dan het eerste jaar. Zelfs de stukken die in een priegelpootje zijn betekst leverden nauwelijks meer problemen op. Natuurlijk blijven er een paar gekke of opmerkelijk plaatsen over, waar ik nu door tijdsgebrek niet op in zal gaan, want de digitaal vervaardigde partituren moeten gecontroleerd, gecorrigeerd en af gemaakt worden. Later, als het weer rustiger is, meer daarover.
|